Blik op hulp

Externaliserende gedragsproblemen: word de coach van het kind

Externaliserende gedragsproblemen: word de coach van het kind
februari 22
23:36 2014

De manier waarop kinder- en jeugdpsychiater Michiel Noordzij kijkt naar kinderen met externaliserende gedragsproblemen is buitengewoon nuchter. Dat blijkt meteen wanneer hij in volstrekt duidelijke termen aangeeft wat gedragsproblemen eigenlijk zijn. “We spreken van een gedragsprobleem als een kind regelmatig net dát doet, wat hij niet zou moeten doen. Of wanneer hij nou juist datgene niet doet wat hij wél zou moeten doen.”

Externaliserende gedragsproblemen

externaliserende gedragsproblemen michiel noordzij

Michiel Noordzij: “Probeer de coach van het kind te worden”

Die nuchterheid blijkt niet alleen uit zijn kijk, maar ook uit zijn aanpak van externaliserende gedragsproblemen: “Wij willen altijd praten, maar het antwoord van zo’n kind is dan vaak ‘boeiuh’. Oma wil allang niet meer oppassen en het is vaak onmogelijk om een ‘deal’ met zulke kinderen te maken over hun gedrag”. Deze kinderen stellen zich onredelijk op, zijn brutaal, ongenaakbaar en ongevoelig voor straf. Bovendien lijken ze gewend aan de afwijzing door anderen. En dat kan een hele moeilijke situatie zijn voor ouders, maar ook voor professionals die met deze kinderen geacht worden te werken. “Mensen die werken met kinderen met zulke externaliserende gedragsproblemen hebben dan ook vaak het gevoel dat ze in een soort wapenuitrusting naar hun werk moeten. Als ze niet uitkijken, zijn ze binnen de kortste keren continu boos, vermoeid en teleurgesteld”.

Alternatief voor het eeuwige praten is volgens Michiel Noordzij, die scholen adviseert in het omgaan met externaliserende gedragsproblemen, het systematisch en systemisch werken rondom deze problematiek. Daarbij is het van belang dat er zowel op het niveau van organisatiebeleid als op werkvloerniveau aandacht voor is. In alle lagen van de organisatie dient dit probleem serieus genomen te worden. “Als je geen dekking van je directie hebt, dan ben je er in je eentje verantwoordelijk voor en dat gaat je niet lukken.” Ook vraagstukken die de eigen organisatie overstijgen zijn daarin volgens de gedragsexpert van belang.

Diagnostiek

Michiel Noordzij geeft aan dat de diagnostische onderzoeken die bij kinderen met externaliserende gedragsproblemen worden gedaan, vaak weinig praktische aanknopingspunten voor handelen op de werkvloer bieden. “Zulke onderzoeken monden uit in rapporten die zeggen ‘hij heeft een tikkeltje ADHD, een snufje PDD-NOS en z’n moeder zit op bridgen’. Maar dat is niet wat je wil weten. Je wil weten wat je moet doen als zo’n joch tegen je zegt, ‘flikker op met je domme beloningsstickers, trut’”.

De praktijk heeft hem geleerd dat je zelden een kind met alleen externaliserende gedragsproblemen aantreft, maar met een hele kluwen aan sores. Samenwerken met het kind en diens ouders, maar ook met de school en de zorg die tot op dat moment al in het gezin aanwezig is, is dan geboden. Je moet dus niet alleen systematisch, maar ook systemisch werken, waarbij ook de vraag gesteld dient te worden waar professionals hun interventies dan moeten inzetten. “Dat doe je dan bij het kind zelf, bij de ouders, op school én in de zorg. Als je op school iets doet aan de aanpak van de externaliserende gedragsproblemen van een kind, dan moet je ook iets met de ouders doen en ook met de juf die er zo vier in de klas heeft zitten”.

Attitudes van ouders

Op het moment dat ouders hulp zoeken met de externaliserende gedragsproblemen van hun kind, hebben ze meestal al een hele tijd op hun kop gehad en allerlei adviezen gehad, aldus Noordzij. “Daar zijn ze vaak uitgeput van. Het geven van adviezen moet je dus in zo’n situatie achterwege laten. Je moet eerst de attitude repareren. De werkhouding van deze ouders moet hersteld worden. Mensen hebben in het ene uiterste vaak een sanctionerende houding  gekregen die heel moeilijk vol te houden is of, in het andere uiterste, hebben ze het bijltje erbij neer gegooid. Vaak slingeren ze tussen die twee uitersten op en neer. Hetzelfde is trouwens te zien in teams van leerkrachten of hulpverleners. In een team kunnen beide uitersten vertegenwoordigd zijn en dat kan tot gescheurde teams leiden omdat mensen elkaar gaan proberen van hun eigen aanpak te overtuigen.”

Hopen

Wat dan wel de oplossing is? Volwassenen in de omgeving van het kind moeten ophouden met hopen dat het probleemgedrag zich niet meer voordoet, maar moeten zich instellen op wat ze gaan doen wanneer het wél gebeurt. Michiel Noordzij: “Dat is een wezenlijk andere werkhouding. Maak nou eens een project van zo’n jongere. Als je bijvoorbeeld met iemand met autisme naar het buurtfeest gaat, dan spreek je van tevoren af wat je gaat doen wanneer hij gaat gillen. En als-ie dan na twee minuten gaat gillen, dan gaat iemand met hem naar huis want daar hadden we goede afspraken over. Gaat-ie na twee uur pas gillen, dan gaat er ook iemand met hem naar huis en gaan we volgend jaar ietsje korter met hem. Die benadering kun je ook prima bij externaliserende gedragsproblemen inzetten.”

Instrumenten

En als je de externaliserende gedragsproblemen van een kind op die manier besluit aan te gaan pakken? Waar moet je dan rekening mee houden? “Allereerst met de vorm”, aldus Noordzij. “De manier waarop je de boodschap aan een kind brengt, moet congruent zijn met de inhoud, anders verlies je je geloofwaardigheid en word je niet meer serieus genomen”. Het tweede aspect waarop gelet moet worden is het proces of, zoals Noordzij dat noemt, “de taal van de tijd”. Daar bedoelt hij mee dat je moet nadenken over wat je doet voordat er een incident is, wat je tijdens een incident doet en wat daarna. “Ook teveel willen of alle probleemgedrag tegelijk aan willen pakken zijn veelgemaakte procesfouten”.

Balans vinden

De aanpak van externaliserende gedragsproblemen blijkt een balanceer-act. Het is zaak kinderen voldoende begrenzing te bieden. “Niet te veel en niet te weinig want daar worden kinderen gek van”. Daarbij helpt het volgens Michiel Noordzij om niet alleen in stoornissen te denken, maar ook in functioneringsniveau. “Ook een kind met dyslexie functioneert immers anders wanneer er een ouder thuis is die de hele dag met hem of haar kan oefenen. Dat geldt evenzeer voor kinderen met externaliserende gedragsproblemen. Vraag je af wat je reëel gezien van een kind kunt verwachten, gezien diens functioneringsniveau. Bij hoogfunctionerende kinderen kun je gesprekken voeren, bij iets lager functionerende kinderen moet je het vaak laten bij gewenst gedrag opbouwen en bij nog moeilijker functionerende kinderen is het beter om je te beperken tot het afbouwen van ongewenst gedrag”.

Groeitaal

Eén van de doorns in het oog van Michiel Noordzij blijkt de manier waarop professionals opgeleid worden om alleen met de inhoudelijkheid van gepraat te werken. “Terwijl oefenen nou net zo belangrijk is”. Noordzij maakt de vergelijking met leren voetballen: “Oefen nou eens gewoon één voor één de dingen die het kind moet kunnen. Je kunt tenslotte ook niet tegelijkertijd een penalty en een kopbal aanleren. Penalties koppen, dat werkt niet”.

En als er gepraat wordt? Dan raadt hij aan om gebruik te maken van zogenaamde ‘groeitaal’. “Spreek een kind aan op het niveau waarop hij nu functioneert en start daar een trainingsprogramma dat met ontwikkeling te maken heeft en niet met straf”. In de praktijk blijkt vaak dat volwassenen in hun omgang met kinderen die externaliserende gedragsproblemen laten zien, in het domein van de harde straffen terecht komen. Aan het andere uiterste komen ze terecht in het domein van de loze dreigementen. Noordzij: “Het risico is dan dat kinderen de regie overnemen. Daardoor kom je in een machtsstrijd terecht waarin je alleen maar meer escalaties krijgt. Het helpt vaak beter om te zeggen ‘ik vind jou eigenlijk te groot om je als een kleuter te behandelen’. Dat is groeitaal.” Andere vormen van groeitaal zijn het bewuste gebruik van de woorden ‘nog’ en ‘al’. “Wanneer een kind iets doet dat niet oké is, kun je tegen het kind zeggen dat hij of zij dat ‘nog niet kan’. Daarmee laat je het kind voelen dat je erin gelooft dat hij het in de toekomst wel goed zal doen. Gaat iets wel goed, dan kun je zeggen ‘Wauw! Dat kun je al!'”

Tips

Michiel Noordzij geeft nog meer praktische tips voor professionals: “Heb respect voor kinderen met externaliserende gedragsproblemen. Soms lijkt het er bij deze kinderen op dat jij wel respect voor hen moet hebben, maar zij niet voor jou. Maar deze kinderen zijn het vaak niet gewend respect te krijgen. Als je ze respect geeft, dan win je ze voor je.”

En wanneer je dan toch boos wordt? “Wees je bewust van je eigen boosheid, want dat maakt je professioneler. Stel jezelf eens de vraag waarom je wel methodisch kunt handelen met iemand in een rolstoel of iemand met het syndroom van down, maar niet met kinderen die zich in onze ogen misdragen. Het verschil is gelegen in de mate waarin de professional boos wordt om het gedrag van het kind.”

In de praktijk

De benadering van Michiel Noordzij blijkt in de praktijk vaak goed te werken bij kinderen met externaliserende gedragsproblemen. Zo werkte hij met een moeder die haar kinderen aan tafel niet tot rust gebracht kreeg. “Zij moest één doel kiezen over welk gedrag ze als eerste terug wilde dringen. Ze koos voor opstaan van tafel. Eerste stap was om er niet over te beginnen, want dat is toch vaak het begin van een welles-nietes spelletje.” Wel werd zij aangemoedigd een proactieve werkbespreking van twintig seconden te houden. “Op een niet-conflict-moment zei ze: ‘Jongens, ik heb er eens over nagedacht en ik vind jullie te groot om jullie als politieagent achter de veren te moeten zitten, en we willen allemaal gezellig aan tafel zitten. Ik ga jullie daarbij helpen, en dat gaat als volgt…’. Door die laatste toevoeging hield zij de regie”. Wel moeten ouders of professionals op zo’n moment zeggen wat ze doen en doen wat ze zeggen: “Lik op stuk geven wanneer het fout gaat en prijzen wanneer het goed gaat. Daardoor word je voor een kind met externaliserende gedragsproblemen een betrouwbare volwassene waarvan ze weten wat ze eraan hebben”. Moeder zei dan ook dat ze er elke keer iets van ging zeggen dat het kind iets zou doen. “En direct daarna zei ze: ‘Of wil je liever dat ik een vinger opsteek of een gele kaart geef?’. Met die laatste zin geef je het kind een beetje, semi-democratische controle”, aldus Noordzij.

In een notendop

Hoewel deze manier van werken heel logisch klinkt, snapt Michiel Noordzij dat het veel dingen zijn om rekening mee te houden. Hij somt daarom nog eens op:

  1. Pak externaliserende gedragsproblemen niet in je eentje aan, maar maak beleid in een “interne zorgcommissie”;
  2. Maak een lijstje met aardige en onaardige dingen die je van de betreffende kinderen vindt;
  3. Maak een project van het aanpakken van de externaliserende gedragsproblemen van het kind;
  4. Kies een te bewerken onderwerp uit het lijstje. Niet alles kun je tegelijk aanpakken;
  5. Begin bij een sub-doel en schat in waar het kind qua niveau zit. Moet je ongewenst gedrag afleren, gewenst gedrag aanleren of  kun je met elkaar in gesprek?;
  6. Ga uit van het huidig functioneringsniveau en niet van het gewenste eindniveau;
  7. Doe geen interventies op het moment zelf. Iedereen moet weten wat er gaat gebeuren als het fout gaat;
  8. Zeg wat je doet en doe wat je zegt. Als je niet zegt wat je doet, dan schrikt een kind en andersom raak je je geloofwaardigheid kwijt,
  9. Gebruik groeitaal: “Te groot om”, “nog” en “al”;

Zijn eindconclusie: “Externaliserende gedragsproblemen vragen om een duidelijke, milde en professionele aanpak die niet steeds pas begint bij een incident. Zo wordt een machteloze ouder of professional de trainer van het kind.”

Michiel Noordzij schreef ook het boek “Echt wel!” over het omgaan met jongeren met externaliserende gedragsproblemen.

Interessant artikel? Schrijf je dan in voor de gratis nieuwsbrief en mis niets meer!

Soortgelijke artikelen