Blik op hulp

De paradox van de gedesorganiseerde hechting

De paradox van de gedesorganiseerde hechting
augustus 02
13:42 2020

Sophie Reijman spreekt op het jaarlijks congres over hechtingsproblematiek, dat dit jaar online zal plaatsvinden, over de relatie tussen kindermishandeling en een gedesorganiseerde hechting. Blik op Hulp interviewde haar alvast over haar bijdrage.

Troost en toeverlaat

Alle kinderen hechten zich aan hun ouders, alleen de kwaliteit van de hechtingsrelatie kan verschillen. Ook kan de hechtingsrelatie van een kind met haar moeder bijvoorbeeld verschillen van die met haar vader of andere belangrijke verzorgers in haar leven. Kinderen met een veilige hechtingsrelatie benaderen hun ouder voor troost en toeverlaat wanneer ze van streek, of moe, of anderzijds kwetsbaar zijn. Ze weten uit ervaring dat hun ouder sensitief op hen zal reageren, waarna ze zich weer richten op spel en het verkennen van de omgeving.

Onveilige gehechtheid

“Maar kinderen met een onveilige hechtingsrelatie kunnen daar niet op rekenen”, begint Reijman. “In de Vreemde Situatie Procedure waarin we kind en ouder kort scheiden en herenigen om gehechtheid te meten, laten ze één van twee mogelijke strategieën zien: kinderen in een vermijdende hechtingsrelatie lijken onaangedaan door de procedure, en negeren de ouder bij terugkomst. Hoewel fysiologische metingen laten zien dat ze wel degelijk stress ervaren, keren ze zich niet tot de ouder om de stress te verlichten, maar richten zich vooral op de omgeving. Kinderen met afwerende hechting zijn erg aangedaan door het vertrek van de ouder en laten een sterke behoefte aan contact zien bij de hereniging. Tegelijkertijd weren ze het contact af met boos gedrag, en in hun onbevredigde hang naar de ouder keren ze niet terug naar spel”



Hoewel het hechtingsgedrag van kinderen tussen – én binnen – deze drie strategieën verschilt, wordt het echter wel als georganiseerd beschouwd. Het gedrag staat immers, binnen de dynamiek van de relatie, in functie van het bewerkstelligen van de relatieve nabijheid en positieve aandacht van de ouder.

Gedesorganiseerde hechting

Gedesorganiseerd hechtingsgedrag, daarentegen, is gedrag van kinderen in relatie tot de ouder tijdens de Vreemde Situatie Procedure waarin deze functie ontbreekt of wordt tegengesproken. Dat kan zich op veel verschillende manieren manifesteren. Reijman: “Onder gedesorganiseerd hechtingsgedrag valt onder meer conflictgedrag. Bijvoorbeeld het benaderen van de ouder met sterk afgewend hoofd, of hard huilen terwijl het kind zich verwijdert van de ouder. Ook zien we ongericht gedrag, zoals huilend voorover op de grond gaan liggen. Andere mogelijke uitingsvoermen zijn stereotiep gedrag, zoals het flapperen met de handen wanneer een kind de ouder benadert, angstig gedrag of gedesoriënteerd gedrag. Bij dat laatste kun je denken aan een kind dat bij terugkomst van de ouder blij de onbekende persoon die ook in de ruimte is begint te begroeten”.

Hechting of hechtingsgedrag

Het is volgens Reijman belangrijk om het verschil te benadrukken tussen gedesorganiseerd hechtingsgedrag en gedesorganiseerde hechting. “Veel kinderen laten een vorm van gedesorganiseerd hechtingsgedrag zien tijdens de Vreemde Situatie zonder dat de hechtingsrelatie gedesorganiseerd wordt bevonden. Getrainde codeurs beoordelen of het gedrag dermate aanwezig is dat desorganisatie de voornaamste hechtingskwalificatie dient te zijn. Bij die beoordeling komen veel factoren kijken: welk gedrag laat het kind zien? Op welk moment? Hoe lang duurt het? Herhaalt het zich?”

Risico voor ontwikkeling

Een gedesorganiseerde hechting blijkt een risicofactor voor de ontwikkeling van het kind. “Een meta-analyse toonde aan dat deze kinderen een verhoogd risico lopen op latere leeftijd (tot twaalf jaar) agressief of antisociaal probleemgedrag te laten zien. Kinderen met een vermijdende hechting liepen dit risico, in mindere mate, ook. Gedesorganiseerde hechting was niet gerelateerd aan internaliserend probleemgedrag, zoals bijvoorbeeld angstig of depressief gedrag. Vermijdende hechting was dat wel”. Wetenschappelijk bewijs voor associaties van gedesorganiseerde hechting met andere ontwikkelingsuitkomsten, zoals dissociatieve symptomen, blijkt echter inconsistent.

Patroon

Wanneer de hechtingsrelatie tussen kind en ouder gedesorganiseerd wordt bevonden, wordt er een alternatieve classificatie van veilig, vermijdend, of afwerend toegekend op basis van het onderliggende patroon van hechtingsgedrag. “Het komt dus voor dat hechtingsrelaties als gedesorganiseerd / veilig worden geclassificeerd. Maar de implicaties van de verschillende vormen van gedesorganiseerde hechting, en van de onderliggende georganiseerde hechtingsstrategie voor de ontwikkeling van het kind zijn nog niet duidelijk”.

Kindermishandeling

In gedesorganiseerde hechtingsrelaties willen kinderen hun ouder aan de ene kant benaderen voor troost, maar ze weten ook dat de ouder soms verontrustend gedrag kan laten zien, en daardoor zijn ze tegelijkertijd geneigd de ouder uit de weg te gaan. “Die paradox ontwricht hun georganiseerde hechtingsstrategie en uit zich in gedesorganiseerd gedrag”, legt Reijman uit. “In hechtingsrelaties waarin het kind door de ouder mishandeld wordt, is die paradox sterk aanwezig: de ouder is mogelijk een bron van schrik of angst, maar tegelijkertijd de aangewezen toevlucht. Als kinderen tijdens de Vreemde Situatie angst voor de ouder laten zien, zoals bijvoorbeeld achteruit deinzen met een bange gezichtsuitdrukking, dan is dat een heel sterke indicatie van een gedesorganiseerde hechtingsrelatie”.

Trauma van de ouder

“Het is trouwens wel belangrijk om te benadrukken dat weliswaar veel mishandelde kinderen een gedesorganiseerde hechting ontwikkelen, maar dat absoluut niet betekent dat gedesorganiseerde hechting als een signaal van mishandeling geïnterpreteerd kan worden”, waarschuwt Reijman. “Er zijn meerdere wegen die tot gedesorganiseerde hechting leiden. Bijvoorbeeld als ouders trauma hebben ervaren dat ze nog niet voldoende verwerkt hebben. Ook dat verhoogt de kans dat kinderen gedesorganiseerde hechting ontwikkelen. Dit is gedeeltelijk te verklaren door afwijkend gedrag dat ouders met onverwerkt trauma kunnen laten zien, zoals plotseling verstillen en tijdelijk geen reactiviteit vertonen. Dit kan voor kinderen verontrustend zijn, maar het is geen kindermishandeling. Ook kunnen kinderen situatie-specifieke stress ervaren die bepaald gedesorganiseerd gedrag, zoals stereotiep gedrag, kan veroorzaken, zonder dat de hechting gedesorganiseerd is. Bovendien is er overlap tussen sommige vormen van gedesorganiseerd gedrag, zoals stereotiep gedrag, en gedrag dat veel voorkomt in kinderen met een ontwikkelingsstoornis, zoals een autisme spectrum stoornis”.

Verschillende soorten angst

In discussies in de wetenschappelijke literatuur, in de praktijk, en onder beleidsmakers is regelmatig een verbastering te identificeren van het fenomeen gedesorganiseerde hechting, waarbij er van wordt uitgegaan dat kinderen met gedesorganiseerde hechting op bepaalde momenten angst voor de ouder (hebben) ervaren. Maar dit hoeft helemaal niet altijd het geval te zijn. Reijman: “Robbie Duschinsky heeft het onderscheid benadrukt tussen verschillende betekenissen van het woord ‘angst’: één betekenis is verontrusting dat het kind associeert met de ouder, bijvoorbeeld door een langdurige scheiding van de ouder; deze verontrusting kan bovendien tijdelijk niet door de ouder weggenomen worden, blijft actief, en kan zich omzetten in vrees. Een andere betekenis is angst voor de ouder omdat de ouder zélf een mogelijk gevaar vormt. Dit is een technisch onderscheid met directe implicaties voor de praktijk: bij een hereniging tussen ouder en kind na, bijvoorbeeld, tijdelijke uithuisplaatsing, ligt gedesorganiseerd gedrag bij het kind in de lijn der verwachtingen. Dit per definitie interpreteren als een signaal van directe angst voor de ouder of incompetent ouderschap kan schadelijke gevolgen hebben”.

Niet geschikt voor diagnostiek

Bovendien is de Vreemde Situatie het enige gevalideerde meetinstrument van gedesorganiseerd hechtingsgedrag, maar deze procedure is niet bedoeld of geschikt voor individuele diagnostiek. Daarvoor zijn er te veel factoren die tot meetfouten kunnen leiden, waar voorspellingen op groepsniveau in onderzoek tegen bestand zijn, maar die betrouwbare individuele evaluaties uitsluiten. De procedure kan wel gebruikt worden als onderdeel van een uitgebreidere set metingen en observaties, waaronder ook observaties bij het gezin thuis, om aanvullende en/of nuancerende informatie te verkrijgen over, bijvoorbeeld, de verwachtingspatronen van het kind waar het de ouder betreft. Verder is inzicht in onveilige hechting heel waardevol voor de beeldvorming van problematiek binnen een gezin en in het steunaanbod: er zijn interventies voor ouders en kinderen die gebaseerd zijn op hechtingstheorie en die effectief zijn gebleken in verschillende doelgroepen. In een consensusverklaring van meer dan 40 onderzoekers en praktijkwerkers gaan Reijman en haar collega’s dieper in op de valkuilen en mogelijke toepassingen van hechtingstheorie en metingen in de praktijk. De belangrijkste punten worden ook toegelicht in een interview met onderzoekers dat op Youtube te vinden is.



Geen stoornis

Gevraagd wat iedere hulpverlener en docent zou moeten weten over gedesorganiseerde hechting, geeft Reijman aan dat je gedesorganiseerde hechting moet zien als een potentieel risico voor de ontwikkeling, niet als een stoornis of vorm van pathologie op zichzelf. “Het is een relationeel aspect dat vatbaar is voor verandering als aan het gezin de juiste steun wordt geboden”.

Interessant artikel? Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief en mis nooit meer iets!

Mee discussiëren over dit en andere artikelen kan in onze LinkedIn-groep.

Soortgelijke artikelen