Foto: iStockphoto

Hulpverleners die met ouders van uit huis geplaatste kinderen werken, staan voor een bijzondere uitdaging. Zeker wanneer de uithuisplaatsing niet vrijwillig was, ligt het risico op de loer dat je tegenover deze ouders komt te staan in plaats van naast hen. José Volkers, gedragswetenschapper gezinshuizen bij Parlan, gaf op het congres over Opvoedingsondersteuning en ouderschap 5 tips voor ouderbegeleiding bij uithuisplaatsing.
Accepteren van uithuisplaatsing?
“Soms hoor je collega-hulpverleners bijna geërgerd zeggen dat ouders nog steeds niet geaccepteerd hebben dat hun kind uit huis geplaatst is. Maar dat kun je in alle redelijkheid niet van ouders verwachten. Het blijven toch hun kinderen. Het beste wat je mag verwachten is dat zij het uiteindelijk leren verdragen. Als ze dat lukt, dan zie je dat het kind niet zo snel in een loyaliteitsprobleem terecht komt. Dat voorkomt dat een kind gedragsproblemen ontwikkelt of dat de pleegzorg- of gezinshuisplaatsing afgebroken wordt. Als ouders het verdragen dat ze niet de opvoeder van hun kind kunnen zijn, maar wel diens ouder blijven, dan komen de ontwikkelingsbelangen van het kind weer centraal te staan”.
5 tips voor ouderbegeleiding bij uithuisplaatsing

José Volkers: “Vraag niet van ouders dat zij een uithuisplaatsing accepteren”
Maar hoe doe je dat dan precies? Volkers geeft vijf praktische tips ten aanzien van ouderbegeleiding bij uithuisplaatsing:
- Wees duidelijk over het perspectief. Als er nog geen duidelijkheid is, onderzoek dan samen met ouders de mogelijkheden voor een thuisplaatsing. Ouders en kind moeten weten hoe lang de uithuisplaatsing in principe duurt en waar het kind zal opgroeien. Soms zie je dat kinderen na een crisis bij een familielid worden ondergebracht en dat het perspectief drie jaar en zes gezinsvoogden later nog steeds niet duidelijk is. Een andere complicerende factor wordt gevormd door professionals die elkaar tegenspreken. De een zegt dat er wel kans is dat het kind naar huis kan, de ander niet. Dat kun je ouders en kinderen niet aandoen! Niets kalmeert tenslotte zo zeer als een genomen besluit.
- Zorg voor continuïteit in de omgangsregeling en de bestaanszekerheid van het kind. Daarvoor is structuur en voorspelbaarheid in de omgangsregeling een sleutelvoorwaarde. Het blijven omgaan met de eigen ouders is voor kinderen van belang voor hun gevoel van eigenwaarde. Zodoende is in de meeste gevallen een slecht lopende omgangsregeling altijd nog beter dan geen contact. Het zorgt ervoor dat kinderen ook een realistisch beeld krijgen van de eigen ouders en helpt hen in hun identiteitsontwikkeling. Als je worstelt met vormgeving qua frequentie en vorm van deze oudercontacten, kijk dan eens naar de checklist oudercontacten in de pleegzorg (chop) in de modulebeschrijving pleegzorgbegeleiding van het NJi.
- Heb een goed zicht op de ontwikkeling van het kind en vorm een beeld van hoe het kind de invloed van het eigen handelen op de uithuisplaatsing inschat. Voor het kind moet duidelijk zijn wat de reden voor de uithuisplaatsing is én dat het zelf geen “schuld” heeft daaraan. Begeleid ouders en betrokkenen om een duidelijk en eenduidig verhaal te vertellen over de reden van de uithuisplaatsing.
- Stimuleer de samenwerking tussen ouders en pleeg- of gezinshuisouders. Dat doe je door pleegouders en gezinshuisouders te coachen om zich zo op te stellen dat ze door de eigen ouders van het kind niet als de “betere” ouder of zelfs als de vijand gezien worden. Help pleegouders om inzicht te ontwikkelen over de opvattingen en gevoelens van ouders die schuil gaan achter hun gedrag. Probeer hen op voet van gelijkheid te plaatsen met de eigen ouders van het kind. In veel gevallen zie je dan dat er beter gecommuniceerd kan worden over praktische dingen, zoals bijvoorbeeld welke kleding een kind draagt en wat het wel en niet lust.
- Heb aandacht voor de fasen van rouw- en verliesverwerking in de ouderbegeleiding bij uithuisplaatsing. Zij verloren het opvoederschap over hun kind. Door de aanvankelijke schok missen ze vaak de informatie die je ze op dat moment geeft. Geef ook ruimte voor emoties als woede en verdriet. Vaak gaan ouders ook strijd voeren om de strijd en de schuld geven aan anderen, waaronder ook jij als hulpverlener. Sta ze dat toe. Als je het goed begeleidt, is de kans groter dat ouders na verloop van tijd gaan inzien dat ze zelf de opvoeding niet aankunnen. Vanaf dat punt gaan ouders dan in de regel ook meer open staan voor contact met hulpverleners en pleeg- en gezinshuisouders.
“Rode draad in ouderbegeleiding bij uithuisplaatsing is een basishouding die acceptatie uitstraalt”, licht Volkers haar tips toe. “Geef blijk van respect voor de zelfbepaling van ouders, toon invoelend vermogen, veroordeel niet, wees echt, toon belangstelling en neem de benodigde vertrouwelijkheid in acht”.
Interessant artikel? Meld je dan aan voor onze gratis nieuwsbrief en mis nooit meer iets.
Wil je mee discussiëren? Dat kan in onze LinkedIn-groep.