Blik op hulp

Persoonlijkheidsstoornissen bij adolescenten moeilijk te diagnosticeren

Persoonlijkheidsstoornissen bij adolescenten moeilijk te diagnosticeren
december 19
12:12 2013
persoonlijkheidsstoornissen adolescent

Foto: Boris van Hoytema

Persoonlijkheidsstoornissen zijn bij adolescenten moeilijk vast te stellen. De DSM stelt dan ook dat er sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden om  voor het achttiende levensjaar van een persoonlijkheidsstoornis te mogen spreken.

Dr. Jeffrey Roelofs, GZ-psycholoog en onderzoeker aan de Universiteit Maastricht, zegt daarover dat hij het wel “dubbel” vindt. “We mogen alleen in bijzondere omstandigheden een persoonlijkheidsstoornis bij een kind vaststellen, maar tegelijkertijd liggen de oorzaken van persoonlijkheidsstoornissen wel vaak in de kindertijd en adolescentie”.

Diagnostiek

Als we kijken naar de criteria die de DSM stelt voor een persoonlijkheidsstoornis, dan is onder meer te zien dat er sprake moet zijn van aanhoudende, diep doordrongen gedragspatronen, die duidelijk herkenbaar zijn en niet verklaard kunnen worden uit bepaalde andere diagnoses. Maar de genoemde patronen moeten volgens deze criteria óók minstens een jaar aanwezig zijn en bovendien niet in de normale ontwikkelingsfase passen. “En dat is wat het nou zo moeilijk maakt”, aldus Roelofs. “Bij pubers vanaf een jaar of 14 moet je je beslist de vraag stellen of er niet gewoon sprake is van extreem puberen.Het is op die leeftijd dus lastig om vast te stellen of er sprake is van een heftige puberteitsreactie of dat de jongere bezig is een persoonlijkheidsstoornis te ontwikkelen”.

Er blijkt ook weinig consensus onder psychiaters op dit punt. Psychiaters aan wie gevraagd werd of bij kinderen een persoonlijkheidsstoornis vastgesteld zou mogen worden, gaf 37% aan dat dat onder de 18 zou moeten mogen. Meer overeenstemming was er over het diagnosticeren van 12-minners met een persoonlijkheidsstoornis. Daarvan vond slechts 2% dat het zou moeten mogen.

De voorstanders van jong diagnosticeren voeren aan dat bij een vroege diagnose al op jonge leeftijd de best mogelijke zorg geboden kan worden, waardoor chroniciteit en de verdere verergering van de persoonlijkheidsstoornis voorkomen of beperkt kan worden. Tegenstanders stellen dat een persoonlijkheid die nog in ontwikkeling is, niet ‘verstoord’ kan zijn. Eveneens kan een vermeende persoonlijkheidsstoornis als ‘excuus’ opgevoerd worden als een therapie niet het gewenste resultaat laat zien. En ook de mogelijke sociale impact van zo’n zware diagnose op een jonge leeftijd weegt mee. De omgeving zou daardoor het kind op kunnen geven en bovendien kan het etiket “persoonlijkheidsstoornis” stigmatiserend werken.

Roelofs: “Bijkomende moeilijkheid is dat 25% van adolescenten op een bepaald moment aan de criteria voor een persoonlijkheidsstoornis voldoet. Je moet dan goed kijken naar of dat een diagnose rechtvaardigt, want als het een momentopname is, dan is er dus niet perse sprake van een aanhoudend probleem. Gezonde terughoudendheid aan de kant van de diagnosticus is daarom dus belangrijk”.

Aansluiten op de emotie

Cognitieve gedragstherapie blijkt bij de behandeling van jongeren met een persoonlijkheidsstoornis niet goed te “pakken”, omdat er vooral op de cognities ingestoken wordt. “Cognitieve gedragstherapie grijpt niet aan op het gevoelsniveau, terwijl dat nou net zo belangrijk is. Mensen met bijvoorbeeld een borderline- of antisociale persoonlijkheidsstoornis weten immers wel dat ze verkeerd denken en doen. Dat is dus het probleem niet. Waar het probleem wel in zit, is dat deze mensen vaak een zelf-, wereld- en toekomstbeeld hebben gevormd waarin hun emotionele basisbehoeften in het gedrang komen. Ze zijn bijvoorbeeld bang voor verlating, wantrouwen mensen, voelen zich minderwaardig of maken zichzelf afhankelijk van anderen. Niet zelden ligt hechtingsproblematiek ten grondslag aan een persoonlijkheidsstoornis. Als de veiligheid niet oké is, dan ontwikkelen mensen een schema waarin ze aannemen verlaten te zullen worden.  Als ze geen realistische grenzen aangereikt kregen dan, ontwikkelen mensen schema’s waarin ze zichzelf bepaalde rechten toe eigenen. Dat soort dynamieken gaat dan een rol spelen”.

Roelofs brengt dus, voordat hij met behandeling van deze mensen begint, deze zogeheten “schema’s” in kaart. Hij laat ze onder meer hun levensverhaal vertellen en neemt vragenlijsten af over de manier waarop ze zichzelf, de rest van de wereld en de toekomst zien.

Limited re-parenting

“Ouders die de lat voor zichzelf hoog leggen, leggen die lat vaak ook hoog voor hun kinderen. Dat kan een forse druk op kinderen leggen, maar zo’n veeleisende kant heeft tenminste ook het voordeel dat het vaak ook nog iets oplevert. Soms is er een bepaalde druk nodig om bijvoorbeeld op school eruit te halen wat erin zit”. De kritische kant kent echter meer risico’s: “Kinderen die overdreven kritisch op zichzelf zijn kunnen pagina’s lange verhalen schrijven over wat ze niet kunnen”.

Bij cliënten die als gevolg daarvan symptomen van een persoonlijkheidsstoornis ontwikkelen, bepleit Roelofs dan ook een therapeutische houding die aangeduid wordt als “limited re-parenting”: een soort van beperkte ouderrol die ingenomen wordt door de therapeut. Daarin wordt de cliënt meer vanuit zorg en minder afstandelijk benaderd. “Dat betekent dus dat de cliënt er op mag rekenen dat je er voor hem of haar bént en dat je dus ook afspraken maakt over contact wanneer er zich buiten de therapie iets voordoet”.

Richting geven, grenzen stellen en empathische confrontatie zijn in dat proces belangrijke deelaspecten van de professionele attitude.

Systemische visie

Omdat er vaak sprake is van intergenerationele overdracht van hechting en van de daaruit ontstane schema’s, is Roelofs voorvechter van een systemische visie op de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen bij adolescenten.

Hij werkt dan ook met zowel de cliënt zelf als met diens ouders, zodat ook thema’s als loyaliteit en afhankelijkheid een plek kunnen krijgen in de behandeling. Op die manier wordt gepoogd wederzijds respect en begrip te vergroten, doorzicht te bieden in de manier waarop de gedachten en gevoelens van ouder en adolescent met elkaar interacteren, en probleemoplossend vaardigheden te vergroten.

Als praktische tip geeft Roelofs ten slotte nog mee: “Vergeet niet dat  adolescenten op hun beurt overigens ook het gedrag van hun ouders beïnvloeden. Dat wordt nogal eens over het hoofd gezien”.

Dit is het derde artikel in de serie over borderline- en antisociale persoonlijkheidsstoornissen. Eerder verschenen artikelen in deze serie gingen over de inzichten van Dr. Ad Kaasenbrood en Dr. Joost Hutsebaut.

Mis niets! Schrijf je nu in voor onze gratis nieuwsbrief!

Soortgelijke artikelen