Blik op hulp

Gedragsverslaving en lage intelligentie

Gedragsverslaving en lage intelligentie
november 09
12:31 2021

Gedragsverslaving is een relatief nieuw verschijnsel. Mede daarom is er nog weinig bekend over hoe je in de hulpverleningspraktijk om kunt gaan met deze problematiek bij mensen met een lage intelligentie. Dr. Neomi van Duijvenbode zal op het jaarlijkse congres over verslavingsproblematiek aan de hand van onderzoek en casuïstiek vertellen over gedragsverslaving bij mensen met een lage intelligentie, en hoe hiermee om te gaan in de rol van zorgprofessional. Vooruitlopend op haar bijdrage aan het congres, ging Blik op Hulp met haar in gesprek.

Lage intelligentie risico voor verslaving

Een gedragsverslaving is een verslaving aan het herhaaldelijk uitvoeren van een specifieke handeling; een gewoonte. De meest voorkomende gedragsverslavingen zijn gokverslaving, gameverslaving, social media verslaving en seksverslaving. Gedragsverslaving is, in tegenstelling tot middelenverslaving, nog een relatief nieuw begrip. Ook bij mensen met een lage intelligentie komen gedragsverslavingen voor, maar hoe vaak weten we volgens Neomi van Duijvenbode nog niet. “Het onderzoek naar gedragsverslavingen bij mensen met een lage intelligentie staat nog in de kinderschoenen. Dat betekent dat we voor nu vooral uit moeten gaan van onderzoek naar middelenverslaving bij mensen met een lage intelligentie. De cijfers hierover laten zien dat verslavingsproblematiek vaak voorkomt bij deze groep. Mensen met een lage intelligentie vormen zelfs een risicogroep voor het ontwikkelen van verslavingsproblematiek.”

Grotere gevolgen

Volgens van Duijvenbode komt dit verhoogde risico niet zozeer voort uit het vaker voorkomen van middelengebruik, maar meer doordat de gevolgen van het middelengebruik groter zijn. Bij mensen met een lage intelligentie schiet het middelengebruik sneller door in problematisch gebruik of in een verslaving. Ditzelfde geldt vermoedelijk ook voor een gedragsverslaving. “Dit heeft er enerzijds mee te maken dat algemene risicofactoren voor verslavingsproblematiek vaker voorkomen bij mensen met een lage intelligentie. Denk bijvoorbeeld aan negatieve levensgebeurtenissen, een beperkt sociaal netwerk, armoede of een lager opleidingsniveau. Risicofactoren die ook gelden voor mensen met een gemiddelde intelligentie. Anderzijds zijn er specifieke risicofactoren voor het ontwikkelen van een verslavingsproblematiek, die samenhangen met een lage intelligentie. Bijvoorbeeld verminderde probleemoplossende of sociale vaardigheden, moeite met het herkennen en reguleren van emoties of beperkingen in impulscontrole en uitstellen van directe behoeftebevrediging”, aldus van Duijvenbode. “Al deze risicofactoren samen zorgen ervoor dat het risico op verslavingsproblematiek groter is bij mensen met een lage intelligentie. Of dit nu verslaving aan middelen of aan gedrag is, dat maakt wat minder uit.”

Dubbel- en triple problematiek

In de praktijk lopen mensen met een lage intelligentie en een gedragsverslaving tegen het probleem van de organisatie van de zorg in Nederland aan. In Nederland is de zorg opgesplitst in verschillende sectoren, die ieder hun eigen specifieke doelgroep, specialisme en cultuur hebben. Door dit hokjesdenken krijgen mensen met een dubbeldiagnose (bijvoorbeeld een lage intelligentie en verslaving) of triple problematiek (een lage intelligentie, een verslaving en nog bijkomende psychische problematiek) niet altijd de juiste zorg. “Problematiek wordt hierdoor onvoldoende herkend, te laat pas opgemerkt, of verkeerd geïnterpreteerd. Het gevolg is dat hulpverlening onvoldoende aansluit. De gevolgen daarvan zijn groot: cliënten vallen sneller uit in behandeling, hulpverlening heeft minder of zelfs geen effect, en cliënten verliezen vertrouwen in hulpverlening”, vertelt van Duijvenbode.

Van het kastje naar de muur

Door de segmentatie van de zorg worden deze cliënten vaak heen en weer geschoven. De verstandelijk gehandicaptenzorg is van mening dat de cliënt bij de verslavingszorg thuishoort, omdat er sprake is van een verslaving. De verslavingszorg stuurt de cliënt weer terug naar de verstandelijk gehandicaptenzorg, omdat er immers sprake is van een lage intelligentie. Volgens van Duijvenbode is dit echt een misvatting. “Het klopt niet. Sterker nog, ik denk dat het juist andersom is: deze doelgroep past in beide sectoren. Dubbele problematiek vraagt dubbele hulp. Wat ik daarmee bedoel, is dat deze doelgroep de kennis, vaardigheden en expertise van beide sectoren nodig heeft. Dus niet over de schutting gooien, maar juist samenwerken.”

Maak kleine aanpassing in de behandeling

Het is volgens van Duijvenbode niet zo dat de behandeling van de verslaving bij mensen met een lage intelligentie heel anders moet worden aangepakt. Wel is het zo dat de hulpverlening om aanpassingen op de cliënt vraagt, zoals een aanpassing in het taalgebruik, de informatiedichtheid en een grotere nadruk op vaardigheden in plaats van cognitief inzicht. “Een tip voor begeleiders en behandelaren is om eens een kijkje te nemen op de website van het Kennisplein Gehandicaptensector. Als onderdeel van het project ‘LVB en middelengebruik in het vizier’ hebben Joanneke van der Nagel en ik onder andere kennisproducten gebundeld. Deze kunnen als inspiratie dienen voor professionals die werken met deze doelgroep.”

Preventie is volgens van Duijvenbode ontzettend belangrijk bij mensen met een lage intelligentie. “Voorkomen is beter dan genezen. In diezelfde lijn is tijdig ingrijpen bij gokken, gamen of schermgebruik belangrijk. Mensen met een lage intelligentie hebben moeite om ‘nee’ te zeggen en om maat te houden. Een beetje te veel kan sneller doorslaan naar veel te veel. De scheidslijn tussen ‘normaal’ en ‘problematisch’ is dun.”

De hulpverlener als rolmodel

“Een goede ondersteuning begint bij het herkennen, bespreekbaar maken en signaleren”, vertelt van Duijvenbode. “Zeker bij gedragsverslavingen kan dat lastig zijn. De kenmerken en gevolgen ervan vallen minder goed op, of zijn minder in het zicht van hulpverleners. Gamen en schermgebruik zijn bovendien voor veel mensen onderdeel van het dagelijks leven, wat signaleren ook kan bemoeilijken”. Van Duijvenbode raadt aan om het gesprek met de cliënt aan te gaan door interesse te tonen in de cliënt. “Doorgaans wordt dit alleen maar positief ontvangen door de ander, zolang het gesprek plaatsvindt vanuit een open, gelijkwaardige en niet-veroordelende houding. Daarbij wil ik ook een ander belangrijk punt aanhalen, namelijk de hulpverlener als rolmodel. Mensen leren onder andere door observatie. Begeleiders en behandelaren zijn daarmee bij uitstek personen van wie cliënten kunnen zien ‘hoe het hoort’ Wees je daarvan bewust: welke boodschap wil je uitstralen?”

Werk samen

Van Duijvenbode kan niet genoeg benadrukken hoe belangrijk het is om een goede afstemming en samenwerking tussen de verstandelijke gehandicaptenzorg en verslavingszorg te vormen. “Zoek elkaar op. Maak gebruik van elkaars krachten, ervaring, kennis en vaardigheden. Een beetje ouderwets fierljeppen dus. Dat kan laagdrempelig, bijvoorbeeld door intercollegiaal overleg of gezamenlijke intervisie. Maar ook structureel door op directieniveau samenwerkingsverbanden aan te gaan.”


Dr. Neomi van Duijvenbode is een science practitioner die praktijk en onderzoek aan elkaar verbindt. Zij is GZ-psycholoog in opleiding tot specialist en als onderzoeker verbonden aan het Kenniscentrum van Trajectum. Zij promoveerde op de neuropsychologie van verslavingsproblematiek bij mensen met een LVB.


Interessant artikel? Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief!

Mee discussiëren over dit en andere artikelen kan in onze LinkedIn-groep.

Soortgelijke artikelen

Zoeken op deze site

Meer informatie over LVB

Meer boeken over LVB op onze bronnenpagina.

Twitter
Facebook
Linkedin Blik op Hulp