Blik op hulp

Ouders met een licht verstandelijke beperking: breed ondersteunen vaak nodig

Ouders met een licht verstandelijke beperking: breed ondersteunen vaak nodig
november 28
13:28 2017

Ouders met een licht verstandelijke beperking (LVB) ondersteunen in de opvoeding is niet eenvoudig. Tegelijk is het wel enorm belangrijk om deze gezinnen te begeleiden. Het welzijn van ouders en kind kunnen ernstig onder druk komen te staan als gevolg van de licht verstandelijke beperking van één of beide ouders. Blik op Hulp vroeg aan Gz-psycholoog en systeemtherapeut Ans de Jong waar je op moet letten als je deze kwetsbare gezinnen goed wil ondersteunen.

Kenmerken ouders met een licht verstandelijke beperking

De kenmerken van een licht verstandelijke beperking zijn in verschillende domeinen van het functioneren herkenbaar: cognitief, sociaal, emotioneel en op gebied van de persoonlijkheid en het maatschappelijk functioneren. Ze worden gekenmerkt door een IQ-score tussen 50 en 85, een beperkt sociaal aanpassingsvermogen én bijkomende problematiek. En dat heeft dan weer onvermijdelijk zijn weerslag op het opvoedvermogen van ouders.

Ans: “Als je die kenmerken in ogenschouw neemt, dan geeft je dat al meteen veel informatie over de ondersteuningsbehoeften van ouders met een licht verstandelijke beperking in de opvoeding van hun kinderen. Een beperkt functioneren op cognitief, sociaal en emotioneel gebied en problemen in de persoonlijkheid geeft vaak blijvende stress”.

Cognitief ondersteunen

De Jong biedt daarom op al die gebieden ondersteuning: “Bij cognitief ondersteunen moet je denken aan ondersteuning in het regelen van administratieve, financiële of persoonlijke zaken. Bijvoorbeeld het samen lezen van brieven, iets opzoeken op internet, nieuwe regelingen bij een verzekering of uitkeringsinstantie proberen te begrijpen.”

Maar het blijkt verder te gaan dan het bieden van ondersteuning van deze dingen, die mensen zonder licht verstandelijke beperking ook vaak al de nodige inspanning kosten. Zaken die voor de meeste mensen betrekkelijk simpel en alledaags zijn, blijken voor ouders met een licht verstandelijke beperking nagenoeg ondoenlijk wanneer ze daar niet in ondersteund worden. “Het plannen en organiseren van de dag of week blijkt vaak een enorme uitdaging. Ouders met een licht verstandelijke beperking hebben hulp nodig bij het vooruit bedenken wat er geregeld moet worden. Bijvoorbeeld plannen wanneer de boodschappen gedaan moeten worden of wat en wanneer je kookt, ondertussen rekening houdend met de slaaptijden van je baby. Maar ook het nakomen van afspraken. Het schoonmaken van je huis. Maar bijvoorbeeld ook de momenten waarop je kunt afspreken met een vriendin voordat je kind thuis komt van school. Oppas regelen als je een avond weg wilt. Ervoor zorgen dat er voldoende eten in huis en niet het laatste geld opmaken aan iets anders.”

Lange termijn planning

Het cognitief ondersteunen van deze ouders betreft echter niet alleen de korte termijn. Met name wanneer er kinderen komen, gaat ook de lange termijn planning een rol spelen. En die blijkt vaak nóg slechter te overzien voor ouders met een licht verstandelijke beperking. “Je moet er maar net aan denken om je kind op te geven bij een basisschool ruim voordat het vier jaar wordt. En dan hebben we het nog niet eens gehad over het nadenken over abstracte vragen als ‘Hoe kan ik mijn kind stimuleren in zijn of haar ontwikkeling?’. Of het bieden van hulp aan het kind bij schooltaken die voor de ouder zelf te hoog gegrepen zijn. Dan kun je wel in je omgeving gaan kijken of je iemand kan vinden die dit over kan nemen, maar ook dat vraagt bepaalde vaardigheden waarover ouders met een licht verstandelijke beperking niet altijd beschikken”, zo stelt De Jong.

Sociale vaardigheden

Ouders met een licht verstandelijke beperking zijn dus vaak aangewezen op de steun uit hun sociale omgeving. Zeker in tijden van ‘samenredzaamheid’ en het denken in termen van ‘Eigen Kracht’ is een gang naar het sociale netwerk onontkoombaar. Dat begint bij het kunnen aangaan en behouden van relaties. Nóg een terrein waarop ouders met een licht verstandelijke beperking moeilijkheden ervaren.

De Jong: “Je moet allereerst mensen ondersteunen in het aangaan en behouden van relaties die nodig zijn in de opvoeding en ontwikkeling van het kind. Met het consultatiebureau, de leerkracht en de huisarts, maar ook met familie of een buurvrouw die af en toe eens kan oppassen. Als ondersteuner ben je dan vaak bezig om moeilijke gesprekken begrijpelijk te maken door ze te ‘vertalen'”.

Behalve de inhoud van het gesprek, blijkt echter ook de betrekkingskant van belang. “Praat ook over hoe je met anderen omgaat, wat het perspectief van de ander is. Bijvoorbeeld een onenigheid of Facebookgesprek bespreken, samen kijken hoe het lukt om vriendjes van je kind uit te nodigen en een verjaardag te vieren”, zegt De Jong.

Emotionele ondersteuning

Het bieden van aandacht, liefde, bescherming en stimulans aan hun kind gaat ook bij ouders met een licht verstandelijke beperking soms vanzelf. In andere gevallen botst het met de eigen wensen en behoeften van de ouder. Wat kun je als hulpverlener doen in zulke gevallen. De Jong legt uit: “Een ondersteuner heeft vooral oog voor de ontwikkeling van het kind in een fysiek en emotioneel veilige context. Extra aandacht voor het gehechtheidsproces tussen ouder en kind en het leren ‘mentaliseren’ van de ouder is daarin essentieel. Dat vraagt bij ouders met een licht verstandelijke beperking om blijvende aandacht. Zij zijn tenslotte zelf beperkt in hun ontwikkeling en daarnaast ook vaak beschadigd in de eigen gehechtheid. Ook de persoonlijkheidsontwikkeling van ouders met een licht verstandelijke beperking vraagt zodoende extra aandacht. Dat is met name zo als bijvoorbeeld sprake is van trauma, psychische problematiek of gehechtheidsproblematiek. Zorg dus altijd voor aandacht voor begeleiding of behandeling van de ouder zelf”.

Soms ben je volgens De Jong zelfs bezig met emotionele ondersteuning terwijl je je daar als hulpverlener niet van bewust bent: “Denk bijvoorbeeld aan het op orde brengen van de financiën. Financiële problemen zijn een grote bron van stress en betekenen een risico in de opvoeding. Armoede en schulden zijn onder ouders met een licht verstandelijke beperking veel aanwezig. Het oplossen van zulke problemen, bijvoorbeeld door het starten van schuldhulpverlening of bewindvoering, is vaak een voorwaarde om überhaupt aan opvoedondersteuning te kunnen beginnen”, zo zegt De Jong.

Wel of geen opvoedingsondersteuning?

ouders met een licht verstandelijke beperkingIs het dan altijd nodig dat ouders met een licht verstandelijke beperking professionele ondersteuning in de opvoeding van hun kinderen krijgen? Of kan de opvoeding ook vanzelf ‘goed genoeg’ zijn? In de praktijk ervaart De Jong dat er eigenlijk altijd wel de één of andere vorm van hulp nodig is: “Wij spreken van ‘goed genoeg’ opvoederschap als er met of zonder bemoeienis sprake is van opvoederschap dat het kind in staat stelt zich te ontwikkelen. Er is bij ouders met een licht verstandelijke beperking in mijn ogen vrijwel altijd sprake van schade en belasting voor het kind. Ook de leeftijd van het kind speelt een rol. Risico op tekort of onveiligheid is bij jonge kinderen groter dan bij oudere kinderen. ‘Goed genoeg opvoederschap’ betekent dat we met elkaar de mate van verwachte schade of belasting acceptabel vinden. Uitgangspunt is dat het kind en de ouder zich ‘aan elkaar ontwikkelen’. Pas wanneer de schade ontoelaatbaar wordt en geen verbetering mogelijk wordt geacht, is het niet meer ‘goed genoeg’. Dan moet je iets. Als ondersteuner zul je dan betrokken moeten raken en samen met de ouder de benodigde inzichten en vaardigheden ontwikkelen of -tijdelijk- overnemen. Als de ouder voldoende in staat is de opvoeding zelf te verzorgen, kan ondersteuning weer stoppen. In de praktijk zie je dat de aanwezigheid van een steunend persoonlijk netwerk daarin cruciaal is. Zonder een netwerk redt een gezin het niet”.

Werkrelatie

Betrokken raken bij ouders met een licht verstandelijke beperking is niet altijd even eenvoudig. Het opbouwen van een samenwerkingsrelatie of werkalliantie is daarin volgens onderzoek van essentieel belang. De praktijkervaringen van De Jong bevestigen dat: “Dat ouders met een licht verstandelijke beperking vaak in hun leven al veel problemen ervaren, maakt het aangaan van een werkrelatie gecompliceerd. Ze hebben al veel afwijzing en kwetsing meegemaakt. Het ouderschap is meestal niet met enthousiasme ontvangen en zij ervaren veel stress en druk vanuit de samenleving. Vaak krijgen ze impliciet of expliciet de boodschap dat ze het waarschijnlijk toch niet kunnen. Of zelfs dat ze eigenlijk helemaal geen kinderen hadden moeten krijgen. Zij hebben zodoende weinig vertrouwen meer in hulpverleners. Soms hebben zij ook in hun eigen jeugd te maken gehad met instellingen en zijn wantrouwend geworden. Het werken aan een goede werkalliantie vraagt daarom voortdurend aandacht. Hoe beter de samenwerking, hoe meer een persoon gemotiveerd zal zijn voor ondersteuning. Heb dus geduld, wees concreet en duidelijk, wees transparant en eerlijk zijn in je communicatie en handelen. Laat ook zien dat je oprechte aandacht en interesse hebt voor wat de persoon bezighoudt. En niet te vergeten: laat zien dat je optimistisch bent en vertrouwen hebt in de groeimogelijkheden van de ouder”.

Motiveren

Optimisme en vertrouwen van de hulpverlening in het groeivermogen van de ouder, motiveert ouders. Dat zijn vaak kleine dingen, die daarom niet minder belangrijk zijn. De Jong geeft daarover een scala aan praktische tips: “Zet kleine stapjes, zodat successen gevierd kunnen worden. Deel die successen met anderen en maak inzichtelijk wat een succes voor het hele gezinssysteem betekent. Maak verandering zichtbaar, door duidelijke doelen te stellen en te evalueren. Doe dingen samen, bied praktische hulp aan waardoor problemen opgelost worden of worden aangepakt. Verbreed vervolgens de samenwerking naar personen in het netwerk en vergeet niet samen met de ouder te reflecteren. Hoe moeilijk dat voor ouders met een licht verstandelijke beperking ook is. Sta dus af en toe even stil bij een probleem en hoe het is ontstaan, en voorkom dat je alleen naar oplossingen kijkt”.

Zelfreflectie

In een samenwerkingsrelatie zijn twee mensen verantwoordelijk. De cliënt wordt gemotiveerd om met de ondersteuner een samenwerking aan te gaan en hiervoor gemotiveerd te blijven. De ondersteuner op haar of zijn beurt, heeft het ook nodig gemotiveerd te blijven in de samenwerking. De Jong stelt dat zelfreflectie aan de kant van de hulpverlener daarom belangrijk is: “Het is belangrijk je eigen geschiedenis, je krachten en valkuilen, normen en overtuigingen te kennen. Die neem je mee in de relatie tot de ander. Als de samenwerking niet goed loopt of als doelen niet bereikt worden, kan dat te maken hebben met processen in of rondom het gezin. Maar het kan ook te maken hebben met de relatie tussen het gezin en jou als ondersteuner. Of met processen in de ondersteuner zelf. Je eigen norm over bijvoorbeeld hygiëne of eetgewoonten kan je parten spelen. Dat geldt ook voor overtuigingen zoals ‘een kind mag niet voor zijn ouders zorgen’. Die persoonlijke aspecten van de ondersteuner kunnen samenwerking in de weg staan of bemoeilijken. Je eigen kwetsbaarheid in tijden van bijvoorbeeld verlies of scheiding kan tot frustratie in een samenwerkingsproces leiden, als je dit niet herkent of hierop niet kunt reflecteren. ‘Ken jezelf’ is één van de competenties die nodig zijn om goed als gezinsondersteuner te kunnen functioneren. De andere competenties zijn ‘ken de ander’ en ‘van perspectief wisselen’.

De Jong roept echter op om te waken voor een confectie-benadering van de hulpverlening, waarin aan alle ouders met een licht verstandelijke beperking dezelfde hulpvragen worden toegeschreven: “Afhankelijk van de persoon, het kind en de omgevingscontext ligt het accent van de ondersteuning ergens anders. De enige aspecten waar je bij álle gezinnen aandacht voor zou moeten hebben, zijn de gehechtheidsontwikkeling en de fysieke en emotionele veiligheid van het kind”.

Ans de Jong is één van de sprekers op de komende editie van het jaarlijks congres over opvoedingsondersteuning en ouderschap.

Drs. Ans de Jong
Drs. Ans de Jong

Ans is gedragsdeskundige, Gz-psycholoog en systeemtherapeut bij Amerpoort. Zij richt zich op behandeling van mensen met een verstandelijke beperking en hun systeem. Daarnaast werkt zij als GZ-psycholoog en systeemtherapeut bij het Expertisecentrum Transculturele Therapie (ETT) in Amsterdam.

Interessant artikel? Meld je dan nu aan voor onze gratis nieuwsbrief en mis nooit meer iets!

Mee discussiëren over dit en andere artikelen kan in onze LinkedIn-groep.

Soortgelijke artikelen